Onderwijs

Hoogbegaafdheid bij kinderen

Hoogbegaafdheid uit zich al vroeg bij kinderen. Vanaf een jaar of zes kan met een IQ-test worden vastgesteld of een kind hoogbegaafd is. Is het IQ hoger dan 130, dan is het kind “officieel” hoogbegaafd. De oplettende ouder kan echter al veel eerder signaleren of het kind uitzonderlijk slim is. Hoogbegaafde kinderen kunnen vaak in groep 1 of 2 al lezen en schrijven. Vaak stellen kleuters vragen (en veel vragen :-)) over onderwerpen die je eerder van een 7-jarige verwacht. Ze willen van alles het ‘waarom’ weten. De ontwikkelingsvoorsprong uit zich op allerlei manieren. Signaleren is heel belangrijk. Want juist vanaf een jaar of zes wordt voldoende uitdaging cruciaal. Gebeurt dit niet, dan kan het kind op die leeftijd al elke interesse in het leren verliezen, of onbewust besluiten zich te gaan aanpassen aan de andere kinderen en zijn of haar bijzondere begaafdheid daarmee te ontkennen. Zo zie je dat kinderen die als 4-jarige al konden lezen en schrijven dit spontaan “verleren” in groep 3, alleen maar om niet anders te zijn dan de andere kinderen. “Anders” is als het ware de rode draad die door het leven van menig hoogbegaafde loopt. De mens is een sociaal wezen en wil over het algemeen graag bij de groep horen. Bij hoogbegaafd zijn hoort dus ook een proces van zich bewust worden van dat “anders” zijn en zich daar comfortabel in gaan voelen. En juist wanneer iemand zich comfortabel voelt in het anders zijn blijkt bijna altijd dat de groep dat gaat waarderen en daarmee de hoogbegaafde juist opneemt in de groep, in al zijn of haar eigenheid.

Hoe uit zich dat anders zijn dan?

Hoogbegaafdheid is een pakketje aan bijzondere eigenschappen.

  • Hoogbegaafden leren anders (Top-down)
  • Hoogbegaafden denken anders (Beelddenkers, intuïtief)
  • Hoogbegaafden voelen anders (Hoogsensitief, Androgyn)
  • Hoogbegaafden werken vanuit persoonlijke bezieling, niet vanuit externe motivatie

Top-down leren

Alle hoogbegaafde kinderen leren top-down. Dat betekent dat ze eerst een concrete vraagstelling of probleemstelling nodig hebben (de “uitdaging”), waar ze vervolgens de kennis bij gaan zoeken om deze vraag te beantwoorden of het probleem op te lossen. Het is bij uitstek de analytische aanpak. “Wat is het probleem en wat heb ik nodig om het op te lossen?”. Er is altijd die kapstok van het vraagstuk nodig, om de vergaarde kennis op te kunnen slaan op een zodanige manier, dat ze later weer terug te vinden is. Het voordeel van deze aanpak is, dat de kennis na één keer is vastgelegd, vaak voor het leven. Herhaling is niet nodig en werkt juist averechts. Het kind gaat zich vervelen omdat het stof krijgt aangeboden die het allang begrijpt.
Als we nu kijken naar de manier waarop de stof wordt aangeboden in PO, VO en WO, dan valt op dat de stof eigenlijk nooit top-down wordt aangeboden, maar juist bottom-up. Niet verwonderlijk, omdat deze aanpak voor 95% van de leerlingen uitstekend werkt. Echter niet voor hoogbegaafde kinderen. Die horen de stof aan, maar vragen zich af wat ze ermee moeten en waar de kennis toe dient. Wordt dat niet snel genoeg duidelijk, dan haken ze af en gaan ze uit het raam zitten staren en aan heel andere dingen denken (“dromen” denkt de docent of leerkracht). Of erger, ze gaan zitten klieren en worden vervelend. En dit is de basis van de vaak gestelde onterechte diagnose AD(H)D bij hoogbegaafde kinderen. Maar liefst 50% van de hoogbegaafde kinderen krijgt op die manier de diagnose ADHD (drukke kinderen) of ADD (stille kinderen) en wordt “behandeld” met medicijnen.
Die mismatch tussen de manier waarop de stof wordt aangeboden en de manier waarop het hoogbegaafde kind leert is tevens de basis voor onderpresteren in het VO. Vaak kan een kind in het PO nog wel compenseren voor deze mismatch louter door het hoge IQ. Daarom zien we regelmatig een discrepantie tussen de gemiddelde resultaten en de hoge score op de CITO-toets. Op het VO zien we dan een kind dat op Gymnasium begon afzakken naar Havo en vervolgens soms zelfs naar VMBO. Dat noemen we “onderpresteren”.
Het moge dus duidelijk zijn dat extra aandacht voor hoogbegaafde leerlingen alleen op het Gymnasium een aanzienlijke groep reeds onderpresterende leerlingen in de kou laat staan.

Beelddenken

Alle hoogbegaafde kinderen zijn beelddenker. Beelddenken onderscheidt zich in hoge mate van woorddenken. Totdat kinderen leren lezen is elk kind beelddenker. Immers, het kind heeft nog geen kennis van woorden of taal en kan dus niet anders dan in beelden denken. Beelddenken wordt ook wel aangezien voor intuitief denken, maar is dat in feite niet. Het antwoord wordt alleen gevonden door associatief denken in plaats van inductief woorddenken.
Beelddenkers denken in abstracte, ruimtelijke representaties, in meer dimensies. Dit gaat veel verder dan visualiseren. Een vraagstelling of probleem wordt dus in de geest van de hoogbegaafde weergegeven in al zijn aspecten, in zo’n ruimtelijk model of “beeld”. Dat maakt het mogelijk om razendsnel alle mogelijke scenario’s voor een antwoord of oplossing als het ware “door te rekenen”. Zo kan een beelddenker razendsnel analyseren en tot een oplossing komen. Zo snel, dat hij of zij zelfs niet kan verklaren hoe de oplossing tot stand is gekomen, omdat het woordloos en associatief is gebeurd. Zo zie je vaak dat een leerling in een toets het juiste antwoord op een vraag geeft maar niet kan beschrijven hoe het antwoord tot stand is gekomen. En dan staat er als commentaar bij de betreffende vraag in de toets: “het antwoord is juist, maar je hebt niet uitgewerkt hoe je aan de oplossing bent gekomen”. Tragisch voor de leerling, begrijpelijk vanuit het perspectief van de docent.
Beelddenken kan ook leiden tot problematiek die abuisievelijk vaak als dyslexie wordt gediagnosticeerd. Zie hiervoor meer specifiek de pagina “Ik Leer Anders”.

Hoogsensitiviteit (HSP)

Alle hoogbegaafde kinderen en volwassenen zijn ook hoogsensitief. Hoogsensitiviteit kan zich op allerlei manieren uiten. Bijvoorbeeld in een hoge mate van gevoeligheid voor harde geluiden, emoties van anderen, schoonheidsbeleving van muziek of kunst, helderziend-, voelend- of horendheid. Ook, en dat hebben de meeste hoogbegaafden in meer of mindere mate, uit het zich in aanvoelen of een gesprekspartner oprecht en authentiek is, of juist zaken achterhoudt en niet eerlijk is. Dat kan ook heel lastig zijn, omdat vaak de overige personen in het gezelschap het niet zien.
Wanneer de hooggevoelige zich ervan bewust is en kan filteren, dan is het een zegen. Lukt het niet om voldoende te filteren, dan leidt het tot stress of bijvoorbeeld onvermogen de emoties van de ander en zichzelf te onderscheiden. Zo kan iemand plotseling somber worden en niet begrijpen waarom. Hij of zij heeft dan zonder het te weten de emoties van iemand anders in de ruimte overgenomen.
Met name bij kinderen is dit dus een punt van aandacht, omdat ze in die levensfase vaak nog niet voldoende filters hebben ontwikkeld.

Androgyniteit

Alle hoogbegaafden zijn in meer of mindere mate androgyn. Dat betekent dat ze qua mannelijke en/of vrouwelijk eigenschappen in het midden zitten. Hoogbegaafden zijn niet extreem mannelijk en ook niet extreem vrouwelijk. Dat uit zich lang niet altijd in het uiterlijk, maar wel vaak in doen en laten. Dat neemt niet weg dat ik herhaaldelijk ben benaderd door moeders die zich zorgen maakten over hun zoon, die “eruit ziet als een meisje”. Over het algemeen maakte het kind zich minder zorgen dan de moeder en kwam alles vanzelf goed. In de praktijk zie je bijvoorbeeld soms jongens die van “meisjesdingen” houden en meisjes die bijvoorbeeld graag ravotten en in bomen klimmen. Op latere leeftijd kan het ertoe leiden dat jongeren een periode doormaken waarin ze twijfelen over hun (sexuele) geaardheid.
Uit het schaarse onderzoek dat er is gedaan op dit gebied, blijkt dat er een link is tussen testosteronlevels, hoogbegaafdheid en androgyniteit. Ik kom zelf in mijn praktijk veelvuldig hoogbegaafden tegen die één of meer kenmerken van androgyniteit hebben.

Intrinsieke motivatie

Alle hoogbegaafden (willen) leven vanuit intrinsieke motivatie. Dat betekent dat hoogbegaafde kinderen leren omdat ze zelf willen weten en willen begrijpen. Niet omdat het “moet van de mijnheer”. Sterker nog, je kan ze niet dwingen te leren. Je kan ze wel uitdagen en op die manier laten leren. Het is dus zaak ze uit te dagen door ze concrete vraagstukken voor te leggen waardoor ze als het ware spelenderwijs zich de stof machtig kunnen maken. Het is werkelijk cruciaal dat ze uitgedaagd worden.
Op dit moment is er veel sprake van leerlingen aanzetten te “excelleren” en “cum laude” het eindexamen af te sluiten (met name door staatssecretaris Sander Dekker). Dat werkt goed bij zeer begaafde leerlingen. Het zal echter de hoogbegaafde kinderen niet aanzetten tot beter presteren, omdat ze absoluut niet bezig zijn met bovengenoemde zaken. Hoogbegaafde kinderen leren niet om te excelleren of cum laude af te studeren. Ze leren omdat ze zelf willen weten en begrijpen. Indirect kan dus een omgeving die ze uitdaagt te leren er wel toe leiden dat ze excelleren op een bepaald gebied, maar dat is dan een afgeleide van de uitdaging, niet de drijfveer. Dat zou namelijk extrinsieke motivatie zijn.

Herkennen van hoogbegaafde leerlingen

Kuipers & Van Kempen onderscheiden vijf karakteristieke kwaliteiten van een hoogbegaafd persoon:

1. Intellectueel vaardig, kan niet tegen onbegrijpelijke stupiditeiten.
Kan makkelijk complexe problemen hanteren, maar legt ze te compact aan anderen uit, vaak zonder zich dit bewust te zijn. Reageert niet effectief op onbegrip.
2. Structureel nieuwsgierig, grenzeloze hekel aan dat wat saai of routineus is.
Wil altijd weten wat ergens achter zit. Stelt routineklusjes eindeloos uit of maakt er fouten in. Uitstelgedrag.
3. Behoefte aan autonomie, vecht of maakt zich klein als die wordt aangetast.
Kan goed zelfstandig werken. Een controlegerichte docent of leerkracht leidt snel tot verlies van interesse en disfunctioneren.
4. Grenzeloos en mateloos in najagen interesses, moeite met loslaten daarvan of met onbegrijpelijke ongeïnteresseerdheid.
Kan zich in een probleem vastbijten. Kan ook teveel energie in de verkeerde dingen stoppen.
5. Emotionele onzekerheid plus intellectuele zelfverzekerdheid, onhandig of kwetsbaar in de confrontatie met harde zelfverzekerdheid of politiek machtsvertoon.
Kan lijden aan faalangst. Is snel geneigd tot betweteren.

Geef een reactie

Your email address will not be published.

Ben je hoogbegaafd? * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.